Vogeltuin

Grijze roodstaart - Psittacus erithacus

De grijze roodstaart is een vogelsoort uit de familie van de Echte papegaaien. Met een grootte van 35-40 cm en een lichaamsgewicht van maximaal 450 gram behoort de grijze roodstaart tot de grootste papegaaien in Equatoriaal-Afrika.
De Zweedse arts, plantkundige, zoöloog en geoloog Carolus Linnaeus gaf hem in 1758 de wetenschappelijke naam Psittacus erithacus.
Grijze roodstaarten zijn typische boomvogels die leven in tropische regenwouden, mangroven en vochtige savannen. De vogels overnachten in bomen die naast water groeien. Hier vormen zich vaak grote groepen van duizenden exemplaren. Eten zoeken gebeurt meestal in kleine groepjes van zo’n 30 vogels, vaak op grote afstand van de slaapbomen.
Hun voedsel bestaat uit (palm)noten, vruchten, bessen, zaden, knoppen en bloemen.
Grijze roodstaarten zijn de allerbeste imitators. Net als alle andere vogels hebben ze geen stembanden. Ze communiceren door trillingen in de syrinx. Dit ‘spraak’orgaan bevindt zich aan het eind van de luchtpijp.
De mannetjes vertonen een duidelijk baltsgedrag. Hierbij lopen ze met afhangende vleugels rond het vrouwtje en voeren haar. De grijze roodstaart kiest een partner voor het leven. Samen bouwen ze een nest in boomholtes. Het vrouwtje legt, buiten het regenseizoen, 2-5 eieren waarop ze ongeveer 4 weken broedt terwijl het mannetje oppast en voor eten zorgt. Beide ouders verzorgen de kuikens 2-3 maanden waarna de jongen uitvliegen.
De vogels zijn pas geslachtsrijp op een leeftijd van 4 à 5 jaar. Grijze roodstaarten kunnen, voornamelijk in gevangenschap, wel 70 jaar oud worden.
Hun natuurlijke vijanden zijn roofvogels en slangen. De kuikens worden ook wel door apen uit het nest gehaald. De grootste bedreiging komt echter van de mens omdat hij hun leefgebied vernietigt en vanwege de illegale handel in exotische dieren.
Op 31 juli 1943 nam piloot-officier N.W. Sluyter een grijze roodstaart mee naar vliegbasis Woodvale. Sindsdien is deze vogel, Polley Grey, de mascotte van het 322 squadron van de Koninklijke Luchtmacht.

 

Halsbandparkiet - Psittacula krameri

De halsbandparkiet heeft zijn wetenschappelijke naam in 1769 gekregen van de Italiaanse arts en botanicus Giovanni Antonio Scopoli (1723-1788).
De halsbandparkiet behoort tot de orde van de Edelpapegaaien. Dit is een onderfamilie van de Echte papegaaien. Oorspronkelijk komt de vogel uit Afrika en Azië. Je kunt gemakkelijk zien uit welk werelddeel ze komen aangezien de halsbandparkieten uit Afrika een zwarte snavel hebben. Hun Aziatische soortgenoten hebben een rode snavel.
Volgens de overlevering was het Onesikritos, stuurman op de vloot van Alexander de Grote, die de halsbandparkiet als volièrevogel naar Europa bracht.
De wildkleur van de vogel is groen. Daarnaast zijn in de loop van de tijd verschillende mutaties ontstaan, zoals de gele, blauwe en grijze.
Het verschil tussen beide geslachten is te zien aan de halsband van het mannetje. Bij de vrouwtjes is deze afwezig. Het kan echter twee jaar duren voordat de halsband zich aftekent en tot die tijd lijken alle jonge vogels dus op vrouwtjes.
De vogels komen voor in loofbossen en lichte secundaire jungle (jungle waar de bomen zijn gekapt en weer nieuwe boompjes zijn aangeplant), maar ook in tuinen, boomgaarden en gecultiveerde gebieden in de buurt van dorpen en steden. Hier hebben ze een voorkeur voor de plataan, die ze ook als slaapboom gebruiken.
Halsbandparkieten leven voornamelijk van zaden, granen, fruit, bloemen en nectar.
De vogels zijn monogaam. Rond het derde levensjaar beginnen ze te broeden. Dit doen ze in holen, maar ook in nestkasten. Ze broeden solitair of in losse groepen, tot 8 paren in dezelfde boom. Het voordeel van dit groepsverband is dat ze elkaar kunnen assisteren bij het verjagen van roofdieren. Het vrouwtje legt 3 tot 6 eitjes die soms uitsluitend door het vrouwtje, soms door beide ouders, worden uitgebroed. De eitjes komen na ca. 22 tot 24 dagen uit. Beide ouders voeren de jongen, die na ca. 8 weken uitvliegen.
Nadat de eerste halsbandparkieten rond 1968 door de mens werden losgelaten, bleek de soort zich in Nederland vrij goed te kunnen handhaven. In Amsterdam en Den Haag bevinden zich inmiddels bolwerken van deze Edelpapegaaien en de soort breidt zich nog altijd uit. De voortdurende bijvoedering in de steden draagt hieraan zeker een steentje bij.

 

Blauwvoorhoofdamazone - Amazona aestiva

Deze papegaaiensoort heeft zijn geslachtsnaam Amazona te danken aan de Franse chirurg en natuuronderzoeker René Primevère Lesson (1794 - 1849). De soortnaam aestiva, dat “zomer” betekent, kreeg hij van de Zweedse arts, plantkundige, zoöloog en geoloog Carolus Linnaeus (1707 - 1778).
Sinds de 19de eeuw worden in Europa papegaaien als huisdier gehouden. Één van de meest gehouden papegaaien is de blauwvoorhoofdamazone. Deze vogel kan 33 - 36 cm groot worden, tussen de 400 en 660 gram wegen en ze kunnen een leeftijd van 45 tot 65 jaar bereiken.
Men kan aan het verenkleed niet zien of het een mannetje of vrouwtje is. Vrouwtjes zijn gewoonlijk iets kleiner.

Blauwvoorhoofdamazonen leven in Zuid-Amerika in een zeer groot verspreidingsgebied dat wel 3000 km kan omvatten. Het strekt zich uit van Bolivia en Brazilië tot en met Paraguay en Noord-Argentinië. De vogels komen voor in regenwouden, savannes, half-woestijngebieden en moerassen. Voor hun voedsel en hun nestplaatsen zijn ze afhankelijk van (oude) bomen.

De poten gebruiken ze als grijporgaan. Een bijzonder kenmerk is hun gehemelte. Deze bevat vijlachtige kerven die het snijvlak van de ondersnavel slijpen en die dienen om voedsel vast te houden of te verkleinen. De vogels zijn het actiefst in de ochtend vanaf zonsopgang tot ca. 10.00 uur en in de namiddag en avond van ca. 16.00 uur tot zonsondergang.

Ze zoeken hun voedsel in de boomkruinen en hun voorkeur gaat hierbij uit naar verschillende soorten palmen. Het voedsel bestaat uit zaden, vruchten, noten, knoppen en bloesems. Is een noot of vrucht te groot, dan wordt deze met de poot vastgehouden en met de snavel bewerkt. In de vrije natuur valt de broedperiode samen met het begin van de regentijd. Ze gebruiken boomholtes en af en toe rotsholen als nestplaats. Door met gespreide vleugels voor de holte te gaan zitten, voorkomt het mannetje dat het naar binnen regent. Het vrouwtje legt tussen de één en vijf eitjes. De eitjes worden in ca. 25 dagen uitgebroed. Als de jonge vogels ongeveer 50 dagen oud zijn verlaten ze het nest. Pas drie weken later zijn ze in staat om op één poot te rusten en te slapen. Jonge vogels zijn duidelijk te herkennen aan hun tenen en aan hun ogen. Drie tenen wijzen naar voren en één teen wijst naar achteren. Bij volwassen vogels zijn de middelste twee tenen naar voren gericht en de eerste en vierde teen naar achteren.

Jonge vogels hebben een donkerbruine iris terwijl dit bij de volwassen vogel oranje gekleurd is. Tot de natuurlijke vijanden behoren o.a. slangen, hagedissen en andere roofdieren die het op de eieren en jongen voorzien hebben. Ook de inheemse bevolking jaagt op deze vogels als onderdeel van hun voedselbron en om de veren te gebruiken voor hoofdversiering e.d. Soms richt de blauwevoorhoofdpapegaai grote schade aan op sinaasappel-, maïs-, koffie- en bananenplantages. Het is niet uitzonderlijk dat er dan ineens 5000 papegaaien tegelijk op een plantage neerstrijken. Amazonepapegaaien hebben een zeer luide stem. Hun spraakvermogen is niet zo goed ontwikkeld als bij de grijze roodstaartpapegaai. Maar er zijn amazonepapegaaien die men, met veel liefde en geduld, goed en duidelijk kan leren spreken.

 

Pennantrosella - Platycerus elegans

 

Pennantrosella’s zijn langstaartige papegaaien met een lichaamslengte van ca. 36 cm en een gewicht dat tussen de 110 en 170 gram ligt. Het mannetje is forser dan het vrouwtje (de pop) en hij heeft een grotere snavel en een forsere kop. Het prachtige uiterlijk zorgde ervoor dat de Duitse arts en wetenschapper Johann Friedrich Gmelin (1748 - 1804) hem de soortnaam “elegans” gaf. “Elegans” betekent “elegant” of “mooi, prachtig uiterlijk”.

De soort komt voor in de neerslagrijke gebieden van Oost-Australië waar hij leeft in tropische bossen, graslandsavannes met bomenbestand, boomgaarden, parken en tuinen, maar ook tref je hem aan in berggebieden zoals het gebergte Mount Koscinsko (2000 m hoog).
De dierentuin in Londen was het eerste dierenpark dat de pennantrosella in 1861 aan het publiek presenteerde. In 1874 lukte het een Fransman voor het eerst om deze vogel te kweken.

Holtes, takken en stammen van zowel levende als dode bomen dienen als nestplaats. Ze nestelen het liefst in eucalyptusbomen anngezien deze bomen met hun gladde stammen een goede bescherming tegen vijanden bieden. Het vrouwtje legt 3 tot 7 eieren en broedt deze gedurende 3 weken uit. In die periode voert het mannetje haar op regelmatige tijden. Als de jonge vogels ongeveer 5 weken oud zijn verlaten ze het nest waarna ze nog enige tijd door beide ouders gevoerd worden.

Het voedsel van de, in de vrije natuur levende, pennantrosella’s bestaat hoofdzakelijk uit gras-,  struik- en boomzaden (vooral eucalyptus- en acaciabomen), graan, vruchten, knoppen, noten, nectar, insecten en hun larven. Het stemgeluid is behoorlijk aangenaam en klinkt niet zo hard. Alleen hun alarm is wat luider.
De vogels kunnen 20 tot 25 jaar worden.

 

 

 

Een greep uit het fotoalbum

Meld u aan voor onze nieuwsbrief

Copyright by Belevingspark Cactus Oase - Ruurlo | Created by